| |
Jaarlijkse Gegevens Onderwijs-Arbeidsmarkt
Samenvatting
1 Beleid
Landelijke beleidsvoornemens op gebied van onderwijs en scholing
Begroting SZW:
- Er komt een participatiefonds voor gemeenten. In dit fonds worden
de geldstromen voor volwasseneneducatie, inburgering en re-integratie
(al dan niet met een scholingscomponent) samengevoegd.
- Mensen die ver van de arbeidsmarkt staan, kunnen straks maximaal
twee jaar aan de slag met behoud van uitkering (participatiebanen).
Zij krijgen daarnaast (verplicht) scholing en een bonus zodat ze
er ook financieel op vooruit gaan.
- Het voornemen is een leerwerkplicht voor jongeren onder de 27
jaar in te voeren. Jongeren onder de 27 jaar krijgen in principe
geen bijstand meer: zij moeten werken of naar school.
- Er worden diverse maatregelen getroffen om een levenlang leren
te bevorderen.
Begroting OCW:
- Belangrijkste voorgenomen maatregel in het voortgezet onderwijs
(vo) is de invoering van de maatschappelijke stage voor alle leerlingen.
- Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) zet de komende jaren in
op een kwaliteitsslag. De invoering van het competentiegericht onderwijs
is uitgesteld tot 2010. Het kabinet verwacht dat door een verlengde
invoeringstermijn het competentiegericht onderwijs meer ruimte krijgt
om te slagen.
- De 'Aanval op de uitval' wordt voortgezet/ geïntensiveerd
via nieuwe prestatieafspraken met gemeenten én scholen. Zo
is op 17 december 2008 een convenant met de vier grote steden afgesloten.
Het streven daarin is de schooluitval in de G4 de komende vier jaar
met 40 procent te reduceren.
- Belangrijk aandachtspunt is verder het groeiende lerarentekort.
Het kabinet meldde in november 2007 het groeiende lerarentekort
tegen te willen gaan door de lerarensalarissen te verhogen en de
docenten boven de 52 jaar te korten op hun extra vrije dagen.
Lokaal beleid
- De grondslag van het Amsterdamse onderwijs- en jeugdbeleid van
2006 tot 2010 is neergelegd in 'Jong Amsterdam: onderwijs- en jeugdplan
2006-2010'. Dit plan richt zich op de ontplooiing en talentontwikkeling
van jongeren. Speerpunten zijn onder meer:
- Een succesvolle schoolloopbaan. Met als belangrijk actiepunt een
groter bereik van voorscholen om taal- en onderwijsachterstanden
terug te dringen. Leerlingen moeten verder zo ongehinderd mogelijk
hun onderwijscarrière kunnen doorlopen met zo min mogelijk
schoolwisselingen en doublures. Talentvolle leerlingen op alle niveaus
moeten extra aandacht krijgen op school. Actiepunt is ook een doeltreffende
en doelmatige aanpak van schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten
('Amsterdams aanval op de uitval').
- Van onderwijs naar arbeidsmarkt. Met als belangrijkste actiepunten
voldoende passende stageplaatsen en goede afspraken tussen gemeente,
stadsdelen, onderwijs en mbo over een sluitende toeleiding naar
opleiding, werk en trajecten hiernaar toe. De aansluiting tussen
onderwijs en arbeidsmarkt wordt verbeterd en ook jongeren van het
laagste opleidingsniveau stromen goed door naar werk.
- In het schooljaar 2007/2008 is de kwalificatieplicht (verlenging
van de leerplicht tot 18 jaar voor leerlingen zonder startkwalificatie)
een belangrijk speerpunt van de 'Amsterdamse aanval op de uitval'.
Eén van de manieren om de kwalificatieplicht uit te voeren,
is het terugdringen van ongeoorloofd verzuim. Aan het begin van
het schooljaar 2007-2008 zijn op twee ROC's pilots van start gegaan
die een 100 procent aanwezigheid beogen te bewerkstelligen. Leerlingen
die zonder reden afwezig zijn, worden dezelfde dag nog opgebeld.
Bij geen gehoor worden ze thuis opgezocht. Als de scholier weer
op school komt, vindt er zo snel mogelijk een gesprek plaats met
de mentor. Is de spijbelaar na drie dagen nog steeds afwezig, dan
schakelt de school de leerplichtambtenaar in. Naast dit verzuimbeleid
voorziet de '100 procentsactie' ook in een betere zorgstructuur
op de scholen.
- In het Platform Arbeidsmarkt en Onderwijs (PAO) werken onderwijsinstellingen
(vmbo, mbo en hbo), het bedrijfsleven (vertegenwoordigd door de
Kamer van Koophandel), de gemeente Amsterdam (DMO, EZ en DWI), de
kenniscentra en de ketenpartners UWV en CWI nauw samen. Het platform
streeft naar meer werkgelegenheid, goed personeel voor werkgevers,
re-integratie van uitkeringsgerechtigden en een soepele aansluiting
tussen onderwijs en arbeidsmarkt.
De werkagenda 2008 van het PAO is voor een belangrijk deel een voortzetting
van die van 2007, echter wel met een bredere insteek. Het accent
van de agenda was tot op heden sterk gericht op de lager opgeleiden.
Voor het realiseren van de doelstellingen van bijvoorbeeld het collegeprogramma
'Amsterdam Topstad' is het echter noodzakelijk dat er aandacht is
voor de volledige breedte van de arbeidsmarkt. Dat betekent dus
aandacht voor àlle opleidingsniveaus, ook de hogere.
Een van de clusters van de werkagenda 2008 van het PAO is stagevoorziening.
De werkzaamheden van het Stageoverleg zoals die in 2006 en 2007
zijn gestart, worden in 2008 voortgezet. In het kader van 'Jong
Amsterdam' wordt gestreefd naar passende stageplaatsen voor àlle
leerlingen (vmbo, mbo, pro en vso) in 2010. Aan deze doelstelling
werken alle relevante partijen gezamenlijk mee in sectorale werkgroepen
onder coördinatie van het Stageoverleg. Daarnaast zijn enkele
andere activiteiten gestart die mede moeten bijdragen aan het realiseren
van deze doelstelling. Een belangrijke daarvan heeft betrekking
op de beroepsoriëntatie in het vmbo.
2 Onderwijsdeelname
Ontwikkeling leerlingenaantallen vo, mbo en ho (Amsterdam, ZNH
en NL)
- In tegenstelling tot de regio Zuidelijk Noord-Holland en Nederland
daalt het totaal aantal vo-leerlingen in Amsterdam in 2006/2007
ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar. Dit is een gevolg
van de relatief sterkere daling in Amsterdam van het aantal leerlingen
in de algemene leerjaren van het vo en in de basis- en kaderberoepsgerichte
leerweg van het vmbo dan in de regio en het land als geheel.
- Het aantal mbo-leerlingen laat zowel landelijk, regionaal als
lokaal een stijging zien. Wel is sprake van een duidelijke afvlakking
van de groei.
- Ook het aantal studenten in het hbo en wo neemt toe. Deze toename
is in Amsterdam aanzienlijk sterker dan in de regio Zuidelijk Noord-Holland
en het land als geheel.
Leerlingenpopulatie vmbo nader belicht (Amsterdam en NL)
- Het aantal leerlingen in de laatste twee leerjaren van de basis-
of kaderberoepsgerichte leerweg van het vmbo in Amsterdam bedraagt
in 2006/2007 5.360, ruim 4 procent minder dan in het daaraan voorafgaande
jaar. Dit komt overeen met de landelijke daling. De richtingen economie
en met name techniek kennen in Amsterdam een bovengemiddelde daling
(-4,6 en -6,8 procent).
- In Amsterdam kiezen leerlingen in de basis- of kaderberoepsgerichte
leerweg van het vmbo veel vaker de richting economie dan landelijk
het geval is (42 procent tegenover 26 procent). Voor de overige
drie richtingen geldt het omgekeerde.
- Meisjes kiezen naar verhouding vaak voor de richtingen zorg en
landbouw en jongens vaak voor de richting techniek. Dat geldt zowel
voor Nederland als voor Amsterdam.
- Landelijk gezien volgen allochtone leerlingen verhoudingsgewijs
vaak de richting economie en minder vaak de overige richtingen.
Allochtone leerlingen in Amsterdam kiezen eveneens relatief vaak
de richting economie. Opvallend is verder dat hun keuze verhoudingsgewijs
vaak op de zorg valt. De richting landbouw is onder hen beduidend
minder populair.
Leerlingenpopulatie mbo nader belicht (Amsterdam, ZNH en NL)
Sector
- De mbo-sectoren techniek en zorg en welzijn laten in de jaren
2005 en 2006 een - weliswaar afnemende - stijging zien van het aantal
leerlingen.
- In de - in kwantitatief opzicht minder belangrijke - sector groen
is in 2005 en 2006 landelijk een stijging te zien. Na een toename
in 2005 is in Zuidelijk Noord-Holland in 2006 sprake van stabilisatie,
in Amsterdam van een daling.
- In de sector economie is in alle drie regio's na een stijging
in 2005 in 2006 een daling te zien. Deze daling is in Amsterdam
aanzienlijk sterker dan in Zuidelijk Noord-Holland en het land als
geheel.
- Naar verhouding volgen in het schooljaar 2006/2007 in Zuidelijk
Noord-Holland en Amsterdam veel mbo-leerlingen een opleiding in
de sector economie. Het aandeel van de sector techniek is relatief
gezien lager dan landelijk. Het aandeel van de sector zorg is vergelijkbaar
met het landelijk percentage.
Leerweg
- De stijging van het aantal mbo-leerlingen in 2005 en 2006 komt
voor een belangrijk deel voor rekening van de bol. Deze stijging
vlakt wel af.
- De bbl laat in 2005 landelijk slechts een relatief beperkte groei
zien. In 2006 is deze groei beduidend hoger. Regionaal en in de
gemeente Amsterdam is in beide jaren sprake van een afname.
- In het schooljaar 2006/2007 volgen veruit de meeste mbo-leerlingen
in Nederland de bol. Dat geldt in versterkte mate voor Zuidelijk
Noord-Holland en zeker voor Amsterdam. De percentages voor de bol
zijn respectievelijk 72, 74 en 80 procent.
Onderwijsniveau
- Landelijk laat het aantal leerlingen op mbo niveau 1 in 2005 nog
een lichte stijging zien (0,8 procent). Deze slaat in 2006 om in
een lichte daling (-0,3 procent). De overige drie mbo-niveaus kennen
in beide jaren een stijging. De toename is het sterkst op niveau
4 (14,9 procent in 2005 en 4,0 procent in 2006).
- Het beeld voor Zuidelijk Noord-Holland is wat confuser. Op mbo
1 niveau is reeds in 2005 een lichte daling te zien die in 2006
in versterkte mate doorzet (-1,4 procent respectievelijk -10,4 procent).
Mbo 3 niveau toont in 2005 een daling (-3,1 procent) en in 2006
een lichte stijging (1,4 procent). De beide overige niveaus - mbo
2 en met name mbo 4 - laten in beide jaren een stijging zien (7,1
en 1,4 procent respectievelijk 11,6 en 6,9 procent).
- In Amsterdam ligt het weer iets anders. Het leerlingenaantal op
mbo 1 niveau neemt daar in 2005 nog toe (5,8 procent), maar in 2006
volgt een daling (-10,1 procent). Mbo 3 niveau laat zowel in 2005
als 2006 een daling zien (-2,4 en -0,3 procent), mbo 2 en mbo 4
een stijging (11,0 en 1,1 procent respectievelijk 8,0 en 4,5 procent).
- In Zuidelijk Noord-Holland zijn in het schooljaar 2006/2007 de
lagere mbo-niveaus sterker vertegenwoordigd dan landelijk. Dat geldt
in versterkte mate ook voor Amsterdam. Op 1 oktober 2006 volgde
landelijk gezien 30 procent van de mbo-leerlingen een opleiding
op niveau 1 of 2, in Zuidelijk Noord-Holland 33 procent en in Amsterdam
38 procent.
3 Voortijdig schoolverlaten (ZNH)
- In het schooljaar 2006/2007 zijn er in de regio Zuidelijk Noord-Holland
in totaal bijna 5.400 nieuwe schoolverlaters. Daarmee komt het totaal
aantal (oude en nieuwe) schoolverlaters in deze regio op ruim 14.100.
Dat is ruim een vijfde (21 procent) minder dan het totaal aantal
geregistreerde (oude en nieuwe) schoolverlaters in het daaraan voorafgaande
schooljaar (17.900). Overigens laten de subregio's Haarlem/IJmond
en Zaanstreek nog een lichte en de subregio Amstelveen & Meerlanden
een forse stijging zien. Vermoedelijk is dit vooral een gevolg van
een verbeterde registratie.
- Van de totale groep (oude en nieuwe) schoolverlaters in de regio
Zuidelijk Noord-Holland is 42 procent meisje, 9 procent 16 jaar
of jonger en 59 procent allochtoon. Het grootste deel is afkomstig
uit de onderbouw/vmbo en mbo niveau 2 tot en met 4.
- Van de (oude en nieuwe) voortijdige schoolverlaters in de regio
Zuidelijk Noord-Holland zijn er in het schooljaar 2005/ 2006 7.790
(55 procent) herplaatst. In ruim driekwart (78 procent) van de gevallen
betreft het herplaatsing in een baan, in een achtste (12 procent)
keert men terug naar het onderwijs en in bijna een tiende (8 procent)
gaat het om een traject van leren en werken.
- Ondanks de daling van het aantal voortijdige schoolverlaters verdient
schooluitval blijvende aandacht. Het gaat in de regio nog steeds
om forse aantallen leerlingen.
4 Stage- en leerbanenmarkt (Amsterdamse ROC's)
Stagebehoefte
- De totale behoefte aan bpv-plaatsen voor het schooljaar 2007/2008
in het mbo in Amsterdam bedraagt een kleine 21.200 stageplaatsen
(ongeveer evenveel als in het voorgaande schooljaar). Daarvan komt
84 procent (17.800 plaatsen) voor rekening van ROCvA en 16 procent
(3.300 plaatsen) voor rekening van ROC ASA/AMARANTIS. Voor ruim
tweederde (69 procent) gaat het om stageplaatsen in de bol (14.600)
en voor bijna een derde (31 procent) om leerbanen in de bbl (6.600).
In het schooljaar 2006/2007 was de verhouding nog 75:25. Er heeft
dus een verschuiving plaatsgevonden in de richting van de bbl.
- In het mbo als geheel is de meeste vraag naar bpv-plaatsen op
niveau 4 (37 procent, absoluut gezien gaat het om 8.000 plaatsen).
Niveau 3 is goed voor bijna een kwart en niveau 2 voor bijna een
derde (5.000 respectievelijk 6.700 plaatsen). Op niveau 1 is de
vraag naar stageplaatsen met in totaal 8 procent (1.500 plaatsen,
ongeveer gelijkelijk verdeeld over AKA en beroepsgericht) duidelijk
minder groot. De behoefte aan bpv-plaatsen voor AKA is ten opzichte
van het voorgaande schooljaar overigens wel verdrievoudigd.
- De sector zorg en welzijn is met 30 procent (6.600 plaatsen) de
grootste 'vrager' van bpv-plaatsen. Goede tweede is de sector administratie/
commerciële dienstverlening met 23 procent (4.800 plaatsen)
gevolgd door de sector techniek met 19 procent (4.000). De sectoren
handel en horeca/ toerisme zijn goed voor elk 12 procent van de
behoefte aan bpv-plaatsen (2.600 en 2.500 plaatsen). De stagebehoefte
in de sector uiterlijke verzorging is relatief beperkt (4 procent,
800 plaatsen). De sector techniek laat ten opzichte van het voorgaande
schooljaar een sterk toenemende behoefte aan bpv-plaatsen zien (van
13 naar 19 procent).
Aanbod van stageplaatsen en leerbanen
- De regio Zuidelijk Noord-Holland telt in augustus 2007 zo'n 20.000
leerbedrijven waarvan om en nabij 8.400 (42 procent) in de gemeente
Amsterdam. De meeste leerbedrijven zijn er in de regio in de sectorale
clusters 'economische-administratieve, ICT- en veiligheidsberoepen'
(kbb ECAB0), 'gezondheidszorg, welzijn en sport' (kbb Calibris)
en 'handel' (kbb KCHandel). Samen zijn deze drie clusters goed voor
ruim de helft van het totaal aantal leerbedrijven in Zuidelijk Noord-Holland.
Verder scoren met elk meer dan 1.000 leerbedrijven ook nog hoog
de clusters 'horeca, bakkerij, reizen, recreatie en facilitaire
dienstverlening', 'technisch vakmanschap' en 'voedsel en leefomgeving'
(kbb's Kenwerk, Kenteq en Aequor).
Vergeleken met het land als geheel zijn er in Zuidelijk Noord-Holland
relatief (wat) meer leerbedrijven in de sectorale clusters 'gezondheidszorg,
welzijn, sport', 'economische-administratieve, ICT- en veiligheidsberoepen',
'grafimediabranche', 'horeca, bakkerij, reizen, recreatie en facilitaire
dienstverlening', 'proces-, milieu- en laboratoriumtechniek en fotonica',
'uniek vakmanschap' en 'foodsector'. De groene sector ('voedsel
en leefomgeving') scoort in de regio beduidend minder dan landelijk.
- Over het aanbod van bpv-plaatsen bij Amsterdamse leerbedrijven
naar leerweg (bol en/of bbl) en onderwijsniveau zijn slechts indicatieve
gegevens beschikbaar. Naar verhouding zijn er meer leerbedrijven
die stageplaatsen aanbieden dan leerbedrijven met leerbanen. Verder
is er in het algemeen een voorkeur voor de hogere mbo-niveaus. Overigens
zijn leerbedrijven vaak voor beide leerwegen en/of op meerdere niveaus
geaccrediteerd.
Confrontatie van vraag en aanbod
- Landelijk is de stage- en leenbanenmarkt redelijk in evenwicht.
CWI-district Noordwest voldoet in grote lijnen aan het landelijke
beeld. In de meeste branches zijn overschotten aan stageplaatsen
en leerbanen of is evenwicht.
- De Amsterdamse ROC's melden voor het schooljaar 2007/2008 de volgende
kwantitatieve knelpunten:
- Sector Handel: ROCvA voorziet mogelijke kwantitatieve knelpunten
in de Detailhandel en Groothandel op niveau 3 en 4 in de bol.
- Sector Administratie en Commerciële dienstverlening: Er ligt
met name druk op de opleidingen in de bol op niveau 1 en 2: bij
ROCvA met name op niveau 1, bij ROC ASA/AMARANTIS op niveau 2 (Bedrijfsadministratie).
Ook de juridische opleidingen op niveau 4 vormen een mogelijk knelpunt.
- Sector Zorg en Welzijn: ROCvA verwacht tekorten in de bol bij
Verpleegkunde (niveau 4) en Sport (niveau 3 en 4). ROC ASA/AMARANTIS
voorziet een tekort in de opleiding Maatschappelijke zorg.
- Sector Uiterlijke verzorging: ROC ASA/AMARANTIS voorziet geen
knelpunten. ROCvA heeft knelpunten in de Haarverzorging.
5 In-, door- en uitstroom in het mbo (Amsterdamse ROC's)
Leerlingenstromen
- Op 1 oktober 2006 zijn er in het mbo in de regio Amsterdam in
totaal 26.700 leerlingen. De doorstroom naar het schooljaar 2007/2008
bedraagt 16.200. In het schooljaar 2006/2007 stromen in totaal 10.500
leerlingen uit. De nieuwe instroom per 1 oktober 2007 bedraagt ruim
12.400. Per saldo zijn er op die datum dan 28.600 leerlingen in
het mbo in de regio Amsterdam. Dat is ruim 7 procent meer dan een
jaar daarvoor.
- In alle sectoren en op alle niveaus in het mbo in de regio Amsterdam
is de instroom groter dan de uitstroom en is dus sprake van een
stijging van het aantal ingeschreven leerlingen. De stijging van
het aantal leerlingen in de sector zorg en welzijn en met name in
de sector techniek is sterker dan de toename van het aantal leerlingen
in de sector economie (voor alle niveaus samen zijn de percentages
in deze sectoren respectievelijk 8, 15 en 3 procent). Verder stijgt
het leerlingenaantal op niveau 1/2 sterker dan op niveau 3/4. De
sterkste groei is waar te nemen bij techniek op niveau 1/2.
- Hoewel de sector relatief gezien iets aan belang inboet, is economie
op de peildatum 1 oktober 2007 nog steeds goed voor bijna de helft
van het aantal leerlingen in het mbo in de regio Amsterdam (47 procent
tegen 49 procent een jaar eerder). Op niveau 1/2 is techniek daarna
het meest populair, op niveau 3/4 is dat zorg en welzijn.
Rendementsindicatoren
- In het schooljaar 2006/2007 is de uitstroom zonder diploma uitgedrukt
in het percentage van de totale uitstroom (BVE-definitie) bij de
ROC's in Amsterdam 63 procent op niveau 1/2 en 42 procent op niveau
3/4. Dat is 5 respectievelijk 6 procentpunt hoger dan in het schooljaar
2005/2006. Voor alle sectoren geldt dat de uitstroom zonder diploma
op de hogere mbo-niveaus naar verhouding kleiner is dan op de lagere
mbo-niveaus. Het kleinst is de uitstroom zonder diploma in de sector
zorg en welzijn op niveau 3/4. Opmerkelijk is wel de sterke stijging
van de uitstroom zonder diploma in de sector zorg en welzijn op
niveau 1/2 (in 2006/2007 15 procentpunt hoger dan in 2005/2006)
- De uitstroom zonder diploma als percentage van ingeschrevenen
in 2006/2007 laat een vergelijkbaar beeld zien, met dien verstande
dat - logischerwijs - de percentages lager uitvallen. De verschillen
met het vorige schooljaar zijn niet erg groot. Verder valt de sector
zorg en welzijn op niveau 1/2 weer op. Hier is de enige - zij het
bescheiden - daling te zien (-1 procent).
- Een derde rendementsindicator - uitstroom met startkwalificatie
(dus mét diploma) als percentage van de totale uitstroom
- 'meet de andere kant op'. Het beeld is dan ook min of meer tegengesteld
aan dat voor de uitstroom zonder diploma. Op mbo 1/2 niveau scoort
ROC van Amsterdam op deze indicator 27 procent, op de hogere mbo-niveaus
is dat 61 procent. Het grootst is de uitstroom met startkwalificatie
in de sector zorg en welzijn op niveau 3/4 (68 procent), het kleinst
in de sector techniek op de lagere mbo-niveaus (21 procent).

|