| |
3.2 Beroepsonderwijs
Sectorale oriëntatie (v)mbo leerlingen in Amsterdam
Tabel 3.3 en 3.4
geven een indicatie van de sectorale oriëntatie van leerlingen
in het (v)mbo in Zuidelijk Noord-Holland. De cijfers hebben betrekking
op leerlingen van in de gemeente Amsterdam gevestigde onderwijsinstellingen.
Tabel 3.3
Leerlingen in het vmbo (inclusief leerweg ondersteunend onderwijs [lwoo]) in
de gemeente Amsterdam naar studierichting en geslacht, schooljaren
2004/2005 en 2005/2006
| |
2004/2005 |
|
|
|
2005/2006 |
|
|
|
| richting |
mannen |
vrouwen |
totaal |
in % |
mannen |
vrouwen |
totaal |
in% |
| algemeen |
5.150 |
5.111 |
10.261 |
61,6% |
3.957 |
3.785 |
7.742 |
54,5% |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| techniek |
1.183 |
64 |
1.247 |
7,5% |
1.206 |
124 |
1.330 |
9,4% |
| verzorging |
132 |
1.057 |
1.189 |
7,1% |
190 |
1.106 |
1.296 |
9,1% |
| economie |
1.510 |
1.281 |
2.791 |
16,7% |
1.401 |
1.238 |
2.639 |
18,6% |
| landbouw |
501 |
675 |
1.176 |
7,1% |
523 |
674 |
1.197 |
8,4% |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| totaal |
8.476 |
8.188 |
16.664 |
100,0% |
7.277 |
6.927 |
14.204 |
100,0% |
Bron: O+S Amsterdam;
Cfi; bewerking Research voor Beleid
Ten opzichte van
het daaraan voorafgaande jaar volgde in het schooljaar 2005/2006
meer vmbo-leerlingen een specifiek beroepsgerichte studierichting
(38,4 procent respectievelijk 45,5 procent). Met name economie is
een gewilde beroepsgerichte studierichting: in 2005/ 2006 ging het
om bijna 20 procent van alle vmbo-leerlingen. Techniek, verzorging
en landbouw scoorden elk iets minder dan 10 procent.
Tabel 3.4
Leerlingen in de beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg van het mbo
in de gemeente Amsterdam naar studierichting en geslacht, schooljaren
2004/2005 en 2005/2006 (exclusief ROC ASA)
| |
2004/2005 |
|
|
2005/2006 |
|
|
| richting |
mannen |
vrouwen |
totaal |
in % |
mannen |
vrouwen |
totaal |
in % |
| beroepsopleidende
leerweg (bol) |
|
|
|
|
|
|
|
|
| - techniek |
4.690 |
2.393 |
7.083 |
32,5% |
2.903 |
1.878 |
4.781 |
23,3% |
| - dienstverlening en gezondheidszorg |
777 |
3.641 |
4.418 |
20,3% |
910 |
3.780 |
4.690 |
22,8% |
| - economie |
5.129 |
5.159 |
10.288 |
47,2% |
6.017 |
5.045 |
11.062 |
53,9% |
| subtotaal bol |
10.596 |
11.193 |
21.789 |
100,0% |
9.830 |
10.703 |
20.533 |
100,0% |
| in % van totaal bol en bbl |
|
|
76,4% |
|
|
|
76,6% |
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| beroepsbegeleidende
leerweg (bbl) |
|
|
|
|
|
|
|
|
| - techniek |
2.318 |
48 |
2.366 |
35,2% |
2.069 |
34 |
2.103 |
33,5% |
| - dienstverlening en gezondheidszorg |
452 |
2.704 |
3.156 |
47,0% |
407 |
2.246 |
2.653 |
42,3% |
| - economie |
645 |
554 |
1.199 |
17,8% |
870 |
648 |
1.518 |
24,2% |
| subtotaal bbl |
3.415 |
3.306 |
6.721 |
100,0% |
3.346 |
2.928 |
6.274 |
100,0% |
| in % van totaal bol en bbl |
|
|
23,6% |
|
|
|
23,4% |
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| totaal
bol en bbl |
14.011 |
14.499 |
28.510 |
|
13.176 |
13.631 |
26.807 |
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
Bron: O+S Amsterdam;
Cfi; bewerking Research voor Beleid De verhouding tussen bol en bbl-leerlingen bleef in het schooljaar 2005/ 2006
ten opzichte van het daaraan voorafgaande schooljaar nagenoeg gelijk:
ruim driekwart van de mbo-leerlingen volgde de bol en de rest de bbl.
Er is wel duidelijk sprake van sectorale verschuivingen. In de bol
nam het aandeel leerlingen in de sector techniek sterk af, terwijl
in de sector dienstverlening en gezondheidszorg en met name de sector
economie een stijging viel waar te nemen. Ook in de bbl was sprake
van een (lichte) daling van het percentage leerlingen in de techniek.
Verder was hier een afname van het aandeel leerlingen in de dienstverlening
en gezondheidszorg te zien. Het percentage leerlingen in de sector
economie steeg in de bbl net als in de bol flink. Voortijdige schooluitval De regierol en eindverantwoordelijkheid voor de opvang en begeleiding van voortijdige
schoolverlaters liggen sinds jaar en dag bij de gemeenten. Sinds 1
augustus 2001 is de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC)
van gemeenten wettelijk verankerd. De regio Zuidelijk Noord-Holland
kent twee gemeenten met een centrale RMC-functie: Amsterdam en Haarlem.
Op basis van gegevens aangeleverd door deze twee RMC’s (RMC
Agglomeratie Amsterdam en RMC West Kennemerland) is voor het schooljaar
2005/2006 inzicht verkregen in de omvang en samenstelling van de groep
voortijdige schoolverlaters in Zuidelijk Noord-Holland (zie tabel
3.5 en figuur 3.2). Tabel 3.5
Aantal voortijdige schoolverlaters (vsv’ers) naar persoonskenmerken
en aantal herplaatsingen, Zuidelijk Noord-Holland, schooljaar 2005/2006
| (Sub)regio |
Aantal vsv'ers |
Totaal aantal vsv'ers naar persoonskenmerken |
Aantal herplaatsingen |
| |
Oud |
Nieuw |
Totaal |
Vrouw |
T/m 16 jaar |
Autochtoon |
Allochtoon |
Onbekend |
|
| Amstelveen & Meerlanden |
208 |
310 |
518 |
225 |
80 |
344 |
80 |
94 |
66 |
| Amsterdam |
11.065 |
3.500 |
14.565 |
6.914 |
439 |
4.903 |
9.659 |
3 |
5.160 |
| Haarlem & IJmond |
nb |
1.248 |
1.248* |
521 |
317 |
907 |
341 |
0 |
643 |
| Waterland |
371 |
488 |
859 |
351 |
132 |
624 |
231 |
4 |
347 |
| Zaanstreek |
180 |
483 |
663 |
323 |
63 |
464 |
199 |
0 |
202 |
| Totaal ZNH |
11.824 |
6.029 |
17.853 |
8.334 |
1.031 |
7.242 |
10.510 |
101 |
6.418 |
| Aandeel in totaal |
|
|
|
47% |
6% |
41% |
59% |
1% |
36% |
* exclusief
oude vsv’ers Bron:
Effectrapportages 2005/ 2006 van RMC Agglomeratie Amsterdam en RMC
West Kennemerland; bewerking Research voor Beleid
Figuur 3.2 Aantal voortijdige
schoolverlaters (vsv’ers) naar opleiding van herkomst en aantal
herplaatsingen naar bestemming, Zuidelijk Noord-Holland, schooljaar
2005/2006
| Totaal aantal vsv’ers naar
opleiding van herkomst* |
Herplaatsingen
vsv’ers naar bestemming |
|
|
* exclusief
Amsterdam en Meerlanden (in verband met onvolledige/ onvergelijkbare
gegevens) Bron:
Effectrapportages 2005/ 2006 van RMC Agglomeratie Amsterdam en RMC
West Kennemerland; bewerking Research voor Beleid In het schooljaar 2005/2006 waren er in de regio in totaal ruim 6.029 nieuwe
schoolverlaters. Daarmee kwam het totaal aantal (oude en nieuwe) schoolverlaters
in de regio op ten minste 17.853. Van de totale groep (oude en nieuwe)
schoolverlaters was iets minder dan de helft (47 procent) meisje,
6 procent 16 jaar of jonger en ruim de helft (59 procent) allochtoon.
De grootste groep voortijdige schoolverlaters is afkomstig van het
mbo niveau 2 tot en met vier. Daarnaast zijn het vooral vmbo’ers
die de school voortijdig verlaten. Van het totaal aantal (oude en nieuwe) voortijdige schoolverlaters in het schooljaar
2005/ 2006 zijn er 6.418 (36 procent) herplaatst. In ruim twee derde
(68 procent) van de gevallen betrof het herplaatsing in een baan en
in bijna een derde (28 procent) keerde men terug naar het onderwijs.
Al met al blijft het
voortijdig schoolverlaten in Zuidelijk Noord-Holland een hardnekkig
probleem. De toenemende conjunctuur zal het probleem vermoedelijk
nog versterken. Bij voortijdig schoolverlaten is immers sprake van
een slingerbeweging. Bij een ruime arbeidsmarkt zijn er minder schoolverlaters.
Als de economie aantrekt en de arbeidsmarkt krapper wordt, is er veel
ongekwalificeerde uitstroom die werk vindt. In dit verband waarschuwden
de jongerenorganisaties van de sociale partners in februari 2007 in
een advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) zelfs voor ‘groenpluk’
door werkgevers. Dit is het verschijnsel dat werkgevers, net als eerder
in tijden van hoogconjunctuur, doelbewust jongeren werven die nog
op school zitten. Door toenemende tekorten aan personeel dreigen werkgevers
stagiair(e)s een baan te bieden, terwijl deze hun school nog moeten
afmaken. Het probleem is dat jonge werknemers zonder diploma in economisch
slechtere tijden vaak ook weer als eersten worden ontslagen.
Stages en leerbanen
In de vorige editie
van de Arbeidsmarktmonitor is uitgebreid ingegaan op de stageplaatsen-
en leerbanenmarkt in Amsterdam. De conclusie was toen dat de tekorten
aan stageplaatsen en leerbanen naar verhouding gering waren. Uit
de meest recente Colo-barometer (mei 2007) blijkt dat er op dit
moment landelijk gezien zelfs sprake is van een overschot: er zijn
meer stageplaatsen en leerbanen dan er (v)mbo-leerlingen zijn. De
verwachting is dat de komende jaren - door de toenemende conjunctuur
en de versnelde uitstroom van personeel als gevolg van vergrijzing
- het aantal beschikbare stageplaatsen en leerbanen verder zal toenemen.
Door de stijgende behoefte van bedrijven aan personeel zal –
vooral bij de technische opleidingen - ook een verschuiving plaatsvinden
van stageplaatsen naar leerbanen. Tegenover een toenemend aanbod
zal naar verwachting echter ook een aanzienlijk grotere vraag naar
stageplaatsen en leerbanen staan:
·
Allereerst leidt de verhoging van de leerplicht tot 18 jaar voor jongeren zonder
startkwalificatie vanaf augustus 2007 tot een grotere vraag naar
stageplaatsen en leerbanen. Hetzelfde geldt voor het voornemen van
het kabinet Balkenende IV een leerwerkplicht voor jongeren tot 27
jaar in te voeren.
·
In het mbo is een ontwikkeling gaande richting competentiegericht onderwijs.
De verplichte invoering van het competentiegerichte leren is echter
vooralsnog met twee jaar uitgesteld. Mocht het competentiegerichte
onderwijs op 1 augustus 2010 alsnog verplicht worden ingevoerd,
dan zal dat in de bol leiden tot een toename van de behoefte aan
stageplaatsen.
·
Het kabinet heeft het voornemen om jongeren in het algemeen vormend onderwijs
een maatschappelijke stage te laten volgen, zodat deze kennis kunnen
maken met de samenleving. Enerzijds leidt dit tot een groter aantal
benodigde plekken. Anderzijds bestaat bij het vullen van de beschikbare
plaatsen het gevaar van verdringing van mbo-leerlingen op niveau
1 en 2 door avo-leerlingen. Op dit moment is al sprake van verdringing
van mbo-1 en -2 leerlingen door vmbo-leerlingen die stage lopen
in het kader van de buitenschoolse beroepenoriëntatie.
Al met al is er de nodige onduidelijkheid
over hoe het aantal beschikbare stageplaatsen en leerbanen zich de
komende jaren in Zuidelijk Noord-Holland zal ontwikkelen. Verder bestaat
er op deze markt – zoals reeds aangegeven in de vorig editie
van de monitor - een aantal meer kwalitatief getinte knelpunten (houding
van werkgevers ten opzichte van allochtone leerlingen, instelling
en kwaliteit van stagiair[e]s, begeleiding van stagiair[e]s, verwachtingen
van werkgevers en stagiair[e]s ten opzichte van elkaar et cetera). De
(kwantitatieve en kwalitatieve) stageproblematiek verdient dan ook
blijvende aandacht. Gemeenten hebben – anders dan in de functie
als leerbedrijf – geen vastgelegde rol op de stagemarkt. Alleen
bedrijven, deelnemers, schollen en kbb’s hebben een wettelijk
vastgelegde rol. De gemeente kan wel ondersteunend/ faciliterend optreden
en de regierol op zich nemen. Uit onderzoek van NICIS (voorheen Kenniscentrum
Grote Steden) blijkt dat de gemeente Amsterdam al een aantal zeer
actieve rollen speelt op de stagemarkt. Onderstaand overzicht biedt
hier nader inzicht in.
Tabel 3.6
Stageactiviteiten en rollen op de
stagemarkt van de gemeente Amsterdam
| Rollen van de gemeente
op de stagemarkt Gemeentelijke
stageactiviteiten |
Faciliteren stage overleg |
Informatie ter beschikking stellen
|
Optreden als intermediair |
Promoten van stages |
Zelf stages aanbieden |
Opnemen contractvoorwaarden |
Subsidiëren projecten |
| Platform Arbeidsmarkt en Onderwijs
|
x |
x |
x |
x |
|
|
x |
| Stageplaatsen binnen gemeente Amsterdam
|
|
|
|
|
x |
|
|
| Ondersteunen stage initiatieven |
|
|
|
|
|
|
x |
| Jong Amsterdam |
x |
x |
x |
x |
|
|
x |
| Amsterdamse aanval op uitval |
x |
x |
x |
x |
|
|
x |
| Leren & werken |
x |
x |
x |
x |
|
|
x |
| Arrangement Beroepsonderwijs Adam 02 -06
|
x |
x |
x |
x |
|
|
|
| Programma beroepsonderwijs Adam 06 –
10 |
x |
|
|
|
|
|
x |
Bron: Nicis (2007).
Stages en grote steden.
Een potentiële rol die
de gemeente nog niet speelt op de stagemarkt is het opnemen van contractvoorwaarden
(contract compliance of sociaal bestek). Daar is dus nog winst te
halen.
|